De eerste zestig seconden na een geboorte worden vaak de gouden minuut genoemd. Niet omdat er direct van alles moet gebeuren, maar omdat in die minuut zichtbaar wordt hoe een baby de overgang naar het leven buiten de baarmoeder maakt.
Voor de meeste baby’s gaat die overgang probleemloos. Ze huilen of ademen rustig, hebben goede tonus en kleuren bij. In zo’n situatie is onze rol overzichtelijk: warmte geven, goed drogen, observeren en zo nodig kort stimuleren. Meer is meestal niet nodig. De eerste minuut is dan vooral kijken.
Tegelijkertijd is het een beslismoment. Ademt de baby niet of onvoldoende? Is de tonus slap? Is de hartfrequentie lager dan 100 per minuut? Dan moet er binnen die eerste minuut gestart worden met effectieve beademing. Ventilatie is dan wat telt. Routinematig uitzuigen hoort daar niet bij, alleen bij zichtbare obstructie.
Ook het afnavelen vraagt om bewust handelen. Bij een vitale baby is er geen reden om te haasten. Minimaal 30 tot 60 seconden wachten, zolang moeder en kind stabiel zijn, ondersteunt een rustige transitie. Alleen wanneer reanimatie nodig is en die niet met intacte navelstreng kan plaatsvinden, wordt eerder afgenaveld.
Voor de eerstelijnsverloskundige betekent dit: ken het normale verloop, oefen acute vaardigheden regelmatig en durf duidelijk te beslissen wanneer de situatie daarom vraagt.
De gouden minuut draait dus niet om snelheid, maar vooral om scherpte.
Ben je benieuwd hoe we in ’t Diak denken over en omgaan met een bepaalde onderwerp, zoals de gouden minuut? Laat het ons weten, dan nemen we het mee in een volgende nieuwsbrief.